Matige moesson

 New York, Vivian Maier, 1953. Foto via.

Woensdag zou het herfst worden. Terwijl we dinsdag nog allemaal in korte broek of zomerjurkje rondliepen en klaagden over de hitte, maakten we ons woensdag op voor een matige moesson, want ja, “er kon wel 20 millimeter regen vallen!”

Ik fietste woensdagochtend naar de bibliotheek, druppels vielen in iets grotere aantallen op mijn spijkerbroek dan ik had gehoopt, maar werd gelukkig niet “zwemmen in je kleren voor je zwemdiploma B”-nat.

Aan de kapstok hing ik mijn jas naast de regenjassen van mijn collega’s.

We keken naar buiten terwijl de regen tegen de ramen sloeg en mijmerden over het mooie weer van gisteren, “terwijl het eigenlijk nog wel meeviel met de regen, op weg hiernaartoe, toch?”.

’s Middags haalde ik voor een bibliotheekproject bij de Albert Heijn op de Markt een zakje satéprikkers. Voordat ik op pad ging, tuurde ik naar buiten, speurend naar regeldruppels die op het al natte wegdek van het grote parkeerterrein zouden kunnen vallen. Het leek droog, maar ik trok toch maar mijn jas aan. Terwijl ik door de stad liep, begon het te druppelen. Toen ik langs de grote plataan voor de ingang van de supermarkt liep, werden de druppels dik en versnelde ik mijn pas. Een kwartier later – de prikkers leken onvindbaar, evenals voldoende caissières – stond ik weer buiten.

Toeristen stapten langs grote plassen, fietsers sjeesden er doorheen.

Een warme, kleffe deken viel over me heen.

Het had duidelijk even flink geregend.

Gauw trok ik mijn jas uit, vouwde ‘m tussen de hengsels van mijn tas en liep terug naar de bibliotheek.

’s Avonds stortte een enorme regenbui langs het balkon terwijl ik stond te koken. Ik bekeek tussen de spijlen van het balkonhek de tuin van de onderburen, die weer blank stond. Na het eten was de bui voorbij en stapte ik op de fiets om snel even boodschappen te doen. De spoortunnel stond niet eens blank, mensen fietsten zonder jas naar de sportschool, muziekles, naar huis. In mijn regenjas kreeg ik het al gauw warm.

Met een volle boodschappentas liep ik de supermarkt uit en voelde, net als die middag, een warme, kleffe deken over me heen vallen. Ik propte mijn regenjas naast de boodschappen in het krat en fietste zigzaggend tussen de auto’s door het parkeerterrein af.

Een intercity denderde langs. Kinderen speelden op straat. Een sportgroepje trok sprintjes om pionnen in het park.

Ik glimlachte.

De regen van die dag viel eigenlijk reuze mee, vond ik. En het was nog helemaal geen herfst.

Advertenties

Bofkont

Foto van Vivian Maier (1954) via

Janneke en ik liepen de supermarkt uit, het zonnetje in. Het had ’s ochtends geregend, maar eindelijk was de zon doorgebroken en werd het weer wat warmer. Janneke pakte mijn vrije hand vast, terwijl ze met haar andere hand een vakantieboek tegen haar buik gedrukt hield. Ze had ‘m net van de mevrouw achter de kassa gekregen. De kaft van het boek was van dat glanzende gladde papier, waardoor het boek over haar t-shirt langs haar buik naar beneden gleed. Ik keek hoe ze ermee emmerde, met een trots gezicht.

“Wat ben jij een bofkont, Janneke,” zei ik. “Dat je zo’n mooi boek gekregen hebt van die mevrouw!”

Janneke keek met een lach naar me omhoog.

“Ja,” zei ze. “Ik ben een bofkont!”

Ik grinnikte.

Terwijl ik probeerde de plassen te ontwijken, zocht Janneke ze juist op en stampte er vrolijk in. Het boek tegen haar borst zakte bij elke stamp een stukje naar beneden.

“Ik ben een bofkont! Bofkont, bofkont!” Riep ze, terwijl ze van plas naar plas huppelde.

Ik lachte.

“Zullen we het boek in de tas stoppen, bij de aardbeien en de kaas? Dan valt ‘ie niet op de grond.”

Ik stopte. Janneke keek bedenkelijk naar de boodschappentas. Ze was te trots op het boek om het zomaar af te staan, maar had ook wel door dat het lastig was én het boek vast te houden én door de plassen te stampen zonder het boek te laten vallen.

“Als we thuis zijn, kunnen we opa’s kleurpotloden pakken en de kleurplaten mooi inkleuren. Vind je dat een goed idee?”

Janneke kneep met haar ogen. Ik hield de tas uitnodigend open. Janneke zette een stap naar voren en kwakte het boekje in de tas. Glimlachend pakte ik beide hengsels in mijn hand en begon weer te lopen. Janneke huppelde naast me, nog steeds van plas naar plas. Ik pakte haar hand toen we bij de stoeprand kwamen en we de straat moesten oversteken.

“Zie jij een auto aankomen? Of een fietser?” Vroeg ik, terwijl ik snel links en rechts keek.

Janneke tuurde beide kanten van de straat af en stapte zonder antwoord te geven de straat op.

“Ik ben een bofkont! Een bofkont, een bofkont!”

 

Schaapachtig

Schaapachtig staart hij me aan. Constant, totdat ik een ander tabje bovenin het scherm aanklik. Of wegkijk. Hij blijft gevangen zitten in het beeldscherm van mijn laptop, in het gesprek in Facebook Messenger dat ik voer, totdat het gesprek verdergaat en hij vanzelf verdwijnt. Maar tot die tijd kijkt hij me recht aan. Altijd, of ik nu recht voor het scherm zit of niet. Eigenlijk weet ik niet eens of het gezichtje een ‘hij’ is. Het zou zomaar een ‘zij’ kunnen zijn. Zijn kale hoofd doet vermoeden dat hij een ‘hij’ is. Daarom refereer ik maar naar ‘hem’ met ‘hij’.

Hij staart me aan, met zijn in verhouding grote bruine ogen. Ik probeer te lezen wat zijn blik zegt. Hoewel hij een pokerface op zijn gezichtje geplakt heeft – een slechte wel, zoals die van Rick Nieman die voor WNL Geert Wilders interviewt – met een glimlach als een boer met kiespijn, is het lastig te bepalen wat zijn blik precies zegt. Hij kijkt niet per se blij, niet per se boos, geschrokken of verbaasd. Ook niet per se verward of gegeneerd. Zijn blik is een mengsel van verschillende vleugjes emotie, die allemaal een soort schaamte, irritatie of verwarring proberen te verbergen, maar wat niet zo goed lukt. In situaties als:

  1. “Haha, nog nooit heeft iemand een woordgrapje met mijn naam en ‘ellende’ gemaakt.”
  2. “Ik antwoord omdat je kunt zien dat ik je berichtje gezien heb, maar stop alsjeblieft met praten. Laat me met rust!”
  3. “O, je gaat op de PVV stemmen? Ja, dat snap ik wel.”
  4. “Jij hebt Jesse Klaver in Kamergotchi? Ik heb Thierry Baudet, die is ook leuk.”
  5. “O, je hebt 15 katten, en Snoesje is ziek? Vertel me meer.”
  6. “Nee joh, het is helemaal niet erg dat je niet weet wanneer de Tweede Wereldoorlog was.”
  7. “Nee, hoor, die opmerking over mijn shirt was helemaal niet kwetsend.”

Tuurlijk, het kan best handig zijn om deze emoji te hebben, mocht je ooit in een van bovenstaande situaties verzeild raken. Maar eerlijk, zo vaak gebeurt het bij mij niet dat ik deze emoji nodig heb, in zulke situaties verzeild raak dus. Tijdens de gesprekken die ik voer, is een vergelijkbare emoji, een lachend gezichtje maar dan dat met die gezellige rode appelwangetjes, geschikter. Dat is de emijo die zegt dat je oprecht meent wat je zegt.

Vind ik.

Waarom heeft Facebook Messenger van die pokerface-emoji de standaard lachende emoji gemaakt, vraag ik me af. Het is een verwarrende emoji, omdat hij lacht maar dat niet meent. Stuur ik ‘m zelf (per ongeluk), dan twijfel ik of de ander mijn berichtje helemaal goed zal begrijpen. Stuurt een ander ‘m, dan twijfel ik of de ander de emoji op dezelfde, verwarrende, manier leest als ik of het berichtje oprecht meent. Inclusief die pokerface dus. Emoji’s zijn beelden die meer zeggen dan duizend woorden. En dat blijkt in sommige gevallen nog niet genoeg.

schermafbeelding-2017-02-27-om-20-45-17

“Slightly smiling face”, volgens Emojipedia.

 

Met dank aan Wieteke voor het meedenken van de voorbeelden! 🙂

Wijkbijeenkomst

Luchtfoto van Gouda Noord

Luchtfoto van Gouda Noord

Op een koude dinsdagavond, afgelopen dinsdag, ging ik naar een wijkbijeenkomst in een basisschool verderop in de wijk. Onderweg, terwijl ik de stoep af denderde, de straat overstak en merkte dat mijn band zacht was, stelde ik me de avond voor. Ik zag een zaaltje voor me, met een twintigtal rijen stoelen en van die lelijke kindertekeningen aan de muur. Ik zou op de achterste rij op een hoekje plaatsnemen. Ik zou mijn jas misschien uittrekken omdat het er warm was, maar mijn sjaal zou ik omhouden, vooral omdat ik niet de moeite had genomen om me om te kleden na een dag schrijven. Ik zou luisteren naar de felle discussie die vast en zeker zou ontstaan over een onderwerp dat ons allemaal zou aangaan en waar ik ook een mening over zou hebben, maar die ik natuurlijk niet zou uiten, want ja, ik woon hier nog geen maand. Ik zou mentale aantekeningen maken voor een amusant blogpostje en ik zou na afloop stilletjes het zaaltje verlaten, glimlachend naar huis fietsen en aan Naomi, die verstandig genoeg was om warm op de bank te blijven met een Netflix-serie, vertellen wat ik allemaal had gehoord.

Ik fietste langs de Savelberg, sloeg daarna links af en bij de treurige snackbar rechtsaf, het plein van de kerk op, waar de school naast stond. Ik kon me niet herinneren wanneer ik hier voor het laatst geweest was. Er stonden een paar fietsen in het rek en ik zette de mijne erbij. Een felle bouwlamp sprong aan toen ik het schoolplein op liep. Alle lokalen waren donker, op een lokaal na, naast de ingang. Terwijl ik de gang door liep naar het lokaal, ritste ik mijn jas open. Het was warm hier. Binnen haalde ik een kop thee, nam plaats op de hoek van een houten bankje in een grote kring, vulde mijn gegevens in op een intekenlijst (“voor de wijknieuwsbrief,” legde een stramme, oudere mevrouw me glimlachend uit) en wachtte geduldig, met mijn jas op schoot, tot iemand het woord zou nemen.

De avond liep, natuurlijk, anders dan ik van tevoren, op de fiets, had gedacht. De wethouder voor burgerparticipatie (jazeker), die was uitgenodigd door het bewonersplatform, beantwoordde allerlei vragen. Een handvol ging over de kazerne, dat eerst een moskee en daar een asielzoekerscentrum – of andersom, dat weet ik niet meer – maar nu leeg staat. Mensen reageerden uitzonderlijk fel, alsof ik middenin de reacties op een nieuwsbericht van de Telegraaf op Facebook terecht gekomen was.

Toen de wethouder weg was en de andere punten van de agenda besproken werden, leek de bijeenkomst veranderd in een praatgroep voor wonen-in-de-stad-getraumatiseerden. Liet de voorzitter van het bewonersplatform het woord “verkeersveiligheid” vallen, dan vlogen tien handen de lucht in en vertelden om de beurt de eigenaren van die tien handen hun persoonlijke verkeersleed. Elk verhaal werd geduldig aangehoord, waarna de voorzitter bij elke bezorgde bewoner vroeg: “Heeft u al melding gemaakt bij de gemeente?” Waarop een verbaasd “nee” steevast het antwoord was. Tussen de persoonlijke anekdotes door was het rumoerig: meerdere buurtgenoten hadden hetzelfde meegemaakt.

De gemeente deed helemaal niets voor de wijk, vonden mijn wijkgenoten; niets voor de verkeersveiligheid, niets tegen de inbraken, niets tegen overlast van hangjongeren. Ik voelde dat de frons op mijn voorhoofd met elke anekdote dieper werd. Hoe was het mogelijk dat geen van deze mensen ooit had bedacht melding te maken bij de gemeente van gevaarlijke verkeerssituaties? Hoe kon het zo zijn dat geen van deze mensen hier, die elkaar allemaal leken te kennen, ooit over deze problemen gepraat had? Waar kwam die woede, die achterdocht tegenover de gemeente toch vandaan?

Ik fietste niet glimlachend naar huis. Maar ik vertelde Naomi wel over de avond. Ik was echter te verbaasd om er een amusant blogpostje over te schrijven. We zijn goed geworden in het uitbraken van onze mening op sociale media en passief zittend op een bankje bij een bewonersbijeenkomst, maar ook écht iets doen voor onze buurt of wijk of stad of land? Dat is blijkbaar heel moeilijk. Te moeilijk, lijkt wel. Daar zouden we met elkaar een goed voornemen voor het nieuwe jaar van moeten maken.

Luchtfoto via

Een droom

Ik zat aan een houten tafel, gebogen over het boek dat ik vorige week uitgelezen had. Waarom ik het weer aan het lezen was, er halverwege in was, begreep ik niet, maar ik las door. Toen ik even opkeek, zag ik dat ik in een café zat, zo een waar je voor te veel geld een latte macchiato bestelt met een veel te dure brownie erbij. Recht tegenover me was de counter, met een vitrine vol taarten en koeken. Een rijtje lampen voorzag de balie van licht, de rest van het café was donker. Terwijl ik rondkeek, zag ik een oudere vrouw op mij af lopen. Uit het niets, leek wel. Keurig gekleed in een pantalon en een jasje, haar korte blonde haar netjes gekapt, lippenstift op. Ze keek ernstig, somber. De mondhoeken hingen naar beneden, een frons op haar voorhoofd.

Ik herkende haar meteen.

Ik stond op, liep naar haar af en zei dat ze maar even moest gaan zitten. Ik zei het alsof ik wist wat er aan de hand was. Maar dat wist ik eigenlijk helemaal niet. Een mager glimlachje kreeg ik als antwoord. Een mollig meisje dat ik kende, maar ik wist even niet meer waarvan, ging naast haar zitten. “Zal ik voor jullie een kop thee halen?” vroeg ik. De vrouw knikte, het meisje glimlachte en ik stond op. Ik bestelde drie koppen thee. Een paar tellen later al stonden de kartonnen bekertjes klaar. Het waren de blauw-witte bekers, de beroemde New Yorkse koffiebekers die je wel eens in films en series ziet. Ik glimlachte om de herkenning.

De theezakjes zaten al in de bekers en toen ik de dekseltjes van de bekers haalde, zag ik dat er ook een scheut melk bij was gedaan. Ik voelde de frons op mijn voorhoofd. Had ik dat besteld, met melk? En zei ik niet altijd bij mijn bestelling dat het theezakje er niet alvast in moest, zoals Meg Ryan dat zegt in Sleepless in Seattle? Terwijl ik de bekertjes probeerde te stapelen om ze in een keer mee te kunnen nemen, realiseerde ik me dat ik dat vergeten was te zeggen. Maar waar de melk vandaan kwam, was me een raadsel. Vlug liep ik naar de tafel terug, zodat de thee niet te sterk zou worden.

Intussen was er een tiental vrouwen aan de tafel komen zitten. Ze belden, tikten op toetsenborden van laptops, riepen naar elkaar. Net als dat mollige meisje, kwamen deze vrouwen me bekend voor.

Het kwartje viel.

Dit waren de politiek-geëngageerde, feministische Amerikaanse actrices die ik volgde op Instagram. De oudere vrouw zat in het midden, staarde naar het tafelblad en leek zich niets aan te trekken van het rumoer om haar heen. Ik zette een van de bekers voor haar neer op tafel. Ik twijfelde even, maar legde toch mijn hand op haar schouder en zei zachtjes: “Het komt goed, echt. Het komt echt goed.” Ze leek het niet te horen, maar toch praatte ik door. “Ik heb gebeden voor je. Echt waar! En ik bid nooit! Ik geloof niet eens dat er een God is, maar nu vond ik het wel een goed moment om God erbij te halen. Ik heb hem gevraagd, nee, gesmeekt, of hij voor een oplossing wil zorgen. Niet voor mij, want, zei ik tegen Hem, ik snap dat ik niet jarenlang zijn bestaan kan ontkennen en vervolgens, als de nood aan de man is, ineens bij Hem kan aankloppen, maar voor de wereld, voor iedereen, heb ik tegen Hem gezegd, is het cruciaal dat Hij nú iets doet. Omdat niemand meer iets kan doen, behalve Hij.” De oudere vrouw draaide zich om en keek me aan. “Dus ik hoop dat het werkt,” besloot ik, plotseling verlegen dat ik haar aandacht had. Ze glimlachte naar me, maar zei niets.

Ik schoot wakker.

4:41, zei mijn wekker.

Ik griste mijn telefoon van het nachtkastje, drukte snel de home-knop twee keer in, opende de NOS-app en las waar ik bang voor was. Trump stond op voorsprong.

En hij zou op voorsprong blijven.

Met de bus

1950s Chicago, IL / undated, New York NY

1950s Chicago, IL (l) / undated, New York NY (r), door Vivian Maier (via en via)

Op het Gedempte Zuiderdiep wachtte ik op de bus. Volgens de dienstregeling was het nog ‘grote vakantie’, dus reed de bus minder vaak en moest ik een half uur wachten. Terwijl ik wachtte, las ik een artikel over wachten. Eigenlijk, schreef Bregje Hofstede in het artikel, doen we niet meer aan gewoon wachten. Gewoon, wachten. We pakken onze smartphone zodra we ook maar even moeten wachten. In de rij voor de supermarktkassa, bij de huisarts, tandarts, als de trein vertraagd is. We besteden geen aandacht meer aan onze omgeving, zien niet meer dat de bladeren aan de bomen alweer geel beginnen te worden, dat de mevrouw naast je die zenuwachtig een sigaret staat te roken eigenlijk geen legging zou moeten dragen gezien haar postuur, dat het jongetje op het bankje naast je zijn Pokémon-kaarten-collectie aan bekijken was, in en dus niet eens in de weer was met Pokémon Go. Ik was geboeid door het artikel, omdat ik precies deed wat Hofstede had opgemerkt: ik staarde naar het schermpje van mijn smartphone terwijl ik aan het wachten was. Wel hield ik tijdens het lezen het vertrektijdenbord bij de halte in de gaten. Hoe lang nog voordat de bus zou komen? Nadat het jongetje met de Pokémon-kaarten naast mij gaan zitten zitten, hoefde dat niet meer. Om de minuut schreeuwde hij naar zijn moeder, die een halve meter naast ons in de regen stond naast de rokende legging-mevrouw, hoe lang het nog duurde.

Ik las het artikel uit.

Toen de ‘1 minuut’ veranderde in een knipperend pixelig busje, stond ik op, gooide ik mijn rugzak op mijn rug en tilde mijn net gehaalde boodschappen op. Terwijl ik in de rij stond om de bus in te stappen, vertelde ik Wieteke over mijn bezoek aan mijn oma, waar ik die middag op bezoek was geweest. Ik checkte in, speurde de zitplaatsen af en besloot naast een oudere man te gaan zitten, die stoïcijns uit het raam bleef kijken. Op mijn telefoon scrolde ik door mijn Twitter-, Facebook- en Instagram-feed. Intussen kletste ik verder op WhatsApp. De bus reed van halte naar halte, door de stromende regen, naar de buitenwijken van Groningen.

“Altijd maar op die verdomde schermpjes kijken hè?” Hoorde ik naast me, toen ik van mijn telefoon opkeek om op de ‘stop’-knop te drukken. Ik was bijna thuis, we waren al bij het winkelcentrum.

Ik keek de man naast me vragend aan.

“Een gezellig gesprekje is er niet meer bij,” ging de man verder. “Altijd zit iedereen in de bus maar op z’n telefoon te turen.”

Ik lachte wat men volgens mij ‘schaapachtig’ noemt. Ik wist niet wat ik moest antwoorden. Ik kon instemmen met zijn geklaag, want het klopte wel wat hij zei, maar dan zou ik me hypocriet voelen, want dan leek het alsof ik er ook tegen was, wat misschien ook wel zo was, maar dan zou het raar zijn dat ik het afgelopen kwartier op dat stomme schermpje had zitten kijken en tikken. Als ik er tegenin zou gaan, zou ik een verongelijkte puber lijken, die niet begrijpt dat er ook leven buiten de smartphone is, wat ik wel weet, aangezien ik de vijf uur per week die ik in de trein doorbreng, altijd lezend in een boek, een van papier, doorbreng. Terwijl ik mijn antwoordopties afwoog, tierde de man, gelukkig, verder.

“Ik ga normaal altijd op de fiets, maar nu met die regen, ja, dan ga ik liever met de bus.”

“Begrijpelijk, meneer, ik-”

“Vroeger kon je nog een kletspraatje maken in de bus, dat was gezellig. Gezellig een kletspraatje maken. Daar had ik me op verheugd. Maar nee hoor, iedereen zit maar op dat verdomde schermpje te kijken.” En terwijl hij dat zei, keek hij mij beschuldigend aan.

Ik keek vlug langs hem heen naar buiten. Ik zag de parkeerplaats voor mijn huis voorbij schieten.

“Ik uhm,” begon ik glimlachend.

“Ja, ja, je moet eruit. Fijne dag nog,” reageerde de man geagiteerd.

“Fijne dag, meneer,” piepte ik terug.

Ik checkte uit, sprong de bus uit, trok de capuchon van m’n regenjas over m’n hoofd en liep naar huis. Was het echt zo erg? Keek ik echt zo vaak op mijn telefoon? Kwam het door mijn smartphone dat ik geen gezellig kletspraatje met die man had gemaakt? De vragen spookten door mijn hoofd, terwijl ik de trappen naar mijn voordeur opliep. Binnen trok ik mijn jas uit, mijn boek uit m’n zware tas en las ik verder waar ik in de trein gebleven was. Nee, natuurlijk niet, het was de schuld van mijn smartphone niet. Ik houd gewoon niet van kletspraatjes met vreemden in de bus. Maar ook niet van bussen trouwens.

 

Prinses Schonefiets

Schermafbeelding 2016-07-31 om 13.33.41

Begin juli 2016

 

Ik zette mijn fiets tegen de muur van het fietsenhok aan, waar ik ‘m altijd neerzet, zette ‘m op slot en tilde net de boodschappentas uit de mand toen ik achter me iemand hoorde roepen.

“Mevrouw! Mevrouw!”

Ik keek op om te kijken wat er aan de hand was, terwijl ik op de tast m’n huissleutels zocht in mijn tas.

Er kwam een meisje aangelopen. Ik schatte haar een jaar of zes. Ze droeg zo’n afschuwelijk lelijke lichtblauwe polyester Frozen-jurk, met een plaatje van Elsa erop. Ze droeg er gouden hakschoentjes onder, wat het allemaal wel wat beter maakte. Ze sleepte met haar ene hand een lichtbruine ‘bont’jas over de grond, en zwiepte met een zwarte klusemmer in de andere.

“Mevrouw,” riep ze nogmaals. “Mag ik uw fiets schoonmaken?”

Oh, God, dacht ik. Daar had ik eigenlijk geen zin in. Ik had snel even boodschappen gedaan en een kaart voor Wieteke gekocht. Die kaart wilde ik schrijven, op de bus doen en weer aan het werk gaan. Als ik dat meisje m’n fiets liet schoonmaken, zou me dat niet alleen tijd kosten maar ik zou waarschijnlijk ook m’n inspiratie kwijt zijn. Om nog maar te zwijgen over motivatie. En ik had ook gewoon geen zin in watergeklieder op mijn fiets, die zonder dat water ook al weg stond te roesten.

“Dat is aardig van je!” antwoordde ik glimlachend naar het meisje, dat mij hoopvol stond aan te kijken. “Maar dat hoeft niet, hoor!”

“Maar dan is uw fiets weer mooi schoon!” Probeerde het meisje.

Ze glimlachte, terwijl ze de emmer langs haar lichaam liet zwaaien.

“Dat snap ik,” zei ik. Shit, hoe kom ik op een aardige, vriendelijke manier van dat meisje af?

“Maar mijn fiets hoeft niet schoongemaakt te worden. Er is vast iemand anders hier, wiens fiets je schoon kan maken!”

Ik tuurde de lege straat in, wanhopig op zoek naar een ander slachtoffer met een fiets. Er kwam een mevrouw aangelopen met een envelop in haar hand. Op weg naar de brievenbus. Ze glimlachte toen ze ons passeerde.

De jurk van het meisje was intussen blijven haken aan het hengsel van de emmer.

“Pas je op dat je je mooie jurk niet kapotmaakt? Je ziet er trouwens prachtig uit in die jurk en met die schoenen, heel mooi!”

“Maar mag ik niet uw fiets schoonmaken?”

“Vandaag is niet zo handig, misschien een andere keer?”

“Oh, oke…” Zei het meisje teleurgesteld.

“Daaag!” Riep ik glimlachend, terwijl ik naar de voordeur liep. Binnen zette ik de volle boodschappentas op een stoel, viste het zakje met de kaart eruit en schreef de kaart voor Wieteke. M’n jas hield ik voor het gemak maar aan. Na een ingewikkelde zoektocht naar Wietekes nieuwe adres liep ik de deur weer uit, gewapend met de kaart en huissleutels. Vanaf de trap zag ik door het raam van het trappenhuis het meisje in de Frozen-jurk op een tuinbankje in een voortuin zitten, verderop in de straat. Ze zat voorover geleund, schommelend met haar benen onder de bank, de emmer en jas naast zich op de bank. Ze verveelde zich, dat was duidelijk. En dan moest de grote vakantie nog beginnen.