Uitgelicht bericht

Hoi!

Welkom op mijn blog, Van trein tot taal. Dit is een blog met verhalen. Grote en kleine. Lange en korte. Klachten en odes. Op deze blog vertel ik. Wat ik zie en bewonder. Wat mij verbaast en irriteert.

Ik probeer elke zondag een verhaal te plaatsen, over de trein, over taal en over alles daartussen in. Vul aan de rechterkant, onder “Volg ‘Van trein tot taal'”, je e-mailadres in en mis nooit een verhaal!

Prinses Schonefiets

Schermafbeelding 2016-07-31 om 13.33.41

Begin juli 2016

 

Ik zette mijn fiets tegen de muur van het fietsenhok aan, waar ik ‘m altijd neerzet, zette ‘m op slot en tilde net de boodschappentas uit de mand toen ik achter me iemand hoorde roepen.

“Mevrouw! Mevrouw!”

Ik keek op om te kijken wat er aan de hand was, terwijl ik op de tast m’n huissleutels zocht in mijn tas.

Er kwam een meisje aangelopen. Ik schatte haar een jaar of zes. Ze droeg zo’n afschuwelijk lelijke lichtblauwe polyester Frozen-jurk, met een plaatje van Elsa erop. Ze droeg er gouden hakschoentjes onder, wat het allemaal wel wat beter maakte. Ze sleepte met haar ene hand een lichtbruine ‘bont’jas over de grond, en zwiepte met een zwarte klusemmer in de andere.

“Mevrouw,” riep ze nogmaals. “Mag ik uw fiets schoonmaken?”

Oh, God, dacht ik. Daar had ik eigenlijk geen zin in. Ik had snel even boodschappen gedaan en een kaart voor Wieteke gekocht. Die kaart wilde ik schrijven, op de bus doen en weer aan het werk gaan. Als ik dat meisje m’n fiets liet schoonmaken, zou me dat niet alleen tijd kosten maar ik zou waarschijnlijk ook m’n inspiratie kwijt zijn. Om nog maar te zwijgen over motivatie. En ik had ook gewoon geen zin in watergeklieder op mijn fiets, die zonder dat water ook al weg stond te roesten.

“Dat is aardig van je!” antwoordde ik glimlachend naar het meisje, dat mij hoopvol stond aan te kijken. “Maar dat hoeft niet, hoor!”

“Maar dan is uw fiets weer mooi schoon!” Probeerde het meisje.

Ze glimlachte, terwijl ze de emmer langs haar lichaam liet zwaaien.

“Dat snap ik,” zei ik. Shit, hoe kom ik op een aardige, vriendelijke manier van dat meisje af?

“Maar mijn fiets hoeft niet schoongemaakt te worden. Er is vast iemand anders hier, wiens fiets je schoon kan maken!”

Ik tuurde de lege straat in, wanhopig op zoek naar een ander slachtoffer met een fiets. Er kwam een mevrouw aangelopen met een envelop in haar hand. Op weg naar de brievenbus. Ze glimlachte toen ze ons passeerde.

De jurk van het meisje was intussen blijven haken aan het hengsel van de emmer.

“Pas je op dat je je mooie jurk niet kapotmaakt? Je ziet er trouwens prachtig uit in die jurk en met die schoenen, heel mooi!”

“Maar mag ik niet uw fiets schoonmaken?”

“Vandaag is niet zo handig, misschien een andere keer?”

“Oh, oke…” Zei het meisje teleurgesteld.

“Daaag!” Riep ik glimlachend, terwijl ik naar de voordeur liep. Binnen zette ik de volle boodschappentas op een stoel, viste het zakje met de kaart eruit en schreef de kaart voor Wieteke. M’n jas hield ik voor het gemak maar aan. Na een ingewikkelde zoektocht naar Wietekes nieuwe adres liep ik de deur weer uit, gewapend met de kaart en huissleutels. Vanaf de trap zag ik door het raam van het trappenhuis het meisje in de Frozen-jurk op een tuinbankje in een voortuin zitten, verderop in de straat. Ze zat voorover geleund, schommelend met haar benen onder de bank, de emmer en jas naast zich op de bank. Ze verveelde zich, dat was duidelijk. En dan moest de grote vakantie nog beginnen.

Subiet

IMG_9995 (1)Na een lange dag studeren in de bibliotheek fietste ik naar huis. In het krat voorop mijn fiets lagen de net gehaalde boodschappen. Bij het politiebureau sloeg ik rechtsaf, de Korreweg op. Zigzaggend tussen langzame fietsers en overstekende mensen denderde ik over het fietspad. Ik fietste langs het Bernoulliplein, waar op het grote grasveld een kunstwerk ligt, dat bestaat uit een aantal grote metalen bollen. Als meteorieten die niet zijn ingeslagen, als sneeuwballen klaar om een sneeuwpop van te maken. Je kunt ze verplaatsen en liggen daarom elke keer als ik er langs fiets ergens anders op het veldje. Soms keurig op een rijtje, soms opgestapeld als de chocolaatjes in de Ferrero Rocher-chocolaatjes-reclame, soms willekeurig verspreid over het gras.

Terwijl ik er langs fietste en keek hoe de bollen er die dag bij lagen, zag ik in mijn ooghoek twee jongens op de stoep langs het grasveld zeulen met elk een krat in hun handen. De ene met een krat Grolsch, de ander met een krat waar een paar zakken chips uitpuilden. Ik passeerde ze en mijn oog viel op het bankje dat aan de rand van het grasveld staat. Op de rugleuning van het bankje stond in een sierlijke letter het woord ‘subiet’ gespoten.

Ik glimlachte terwijl ik een fietser inhaalde.

Subiet. Waarom had iemand dat op het bankje gespoten?

Waarom precies dat woord?

De zon scheen.

Ik moest er een foto van maken, besloot ik.

Precies op tijd. Ik was al bijna voorbij het plein en kon nog het afritje van de stoep en de zijstraat oprijden. Ik remde en sprong van mijn fiets af. Met m’n fiets aan de hand liep ik over de stoep terug naar het bankje. Verderop zag ik de twee jongens met de kratten aan komen lopen.

Ik schatte de afstand in tussen de jongens en het bankje en tussen mij en het bankje. Gelukkig, dacht ik, ze zullen het bankje gepasseerd zijn als ik bij het bankje ben. Een foto maken van een willekeurig stadsbankje leek me een raar gezicht.

Maar in plaats van het bankje te passeren, stopten de jongens bij het bankje. Ze zetten hun voet erop en rustten de kratten op hun bovenbeen.

Shit.

Het zou helemaal een raar gezicht zijn als ik nu zou stoppen en zou wachten tot ze verder liepen, alsof ik in de rij bij de kassa van de supermarkt stond. Alsof er niks aan de hand was, haalde ik mijn telefoon uit mijn tas en tikte de Facebook-app aan en scrollde wat door de newsfeed.

 

In mijn ooghoek zag ik ineens de twee jongens langslopen. Ah!, dacht ik, ze zijn weg! Eindelijk kon ik de foto maken. Ik gooide mijn telefoon op de boodschappen in het krat voorop mijn fiets en liep de laatste paar meters naar het bankje. Terwijl ik de fiets op de standaard zette, naast het bankje, werd het donker.

De zon was weg.

Ik keek omhoog en zag een wolk langs de zon schuiven.

Tuurlijk.

Gauw maakte ik toch maar een foto, stopte m’n telefoon in m’n tas, liep naar het fietspad en vervolgde mijn weg. Voorbij de rotonde haalde ik de jongens met de kratten weer in.

 

De volgende dag fietste ik ’s middags weer langs het grasveld. Ik keek uit naar het bankje en dacht aan de sierlijke letters waarmee ‘subiet’ geschreven was, dat ogenschijnlijk willekeurige woord dat erop gespoten was.

Ik naderde het bankje.

Stond het bankje gistermiddag ook zo, uitkijkend over het grasveld? En midden op de stoep? Lag er gistermiddag ook al zoveel zand omheen?

Dat was me gisteren niet opgevallen.

Nee.

De gemeente had het bankje vervangen. Subiet.

 

 

Mijn lege Vaseline-potje

Vaseline

Ik schreef er al eens eerder over. Een paar maanden geleden las ik het boek Opgeruimd! van Marie Kondo. Daarin vertelt ze in een luttele tweehonderd pagina’s hoe je je huis moet opruimen, maar vooral hoe je spullen weg moet gooien. Ze schrijft gekke dingen als: “Ik raad [mijn klanten] bijvoorbeeld aan om ‘Bedankt dat je me de hele dag warm hebt gehouden’ te zeggen als ze hun kleren na thuiskomst ophangen.” En: “Als het je tot nog toe niet gelukt is om een bepaald boek te lezen (…) dan is nu het moment gekomen om het te laten gaan.”

Absurd natuurlijk.

Maar ze schrijft ook dat je alles wat je weggooit, moet bedanken. Voor het nut dat ze hebben gehad.

Echt waar.

Mijn huis is sinds ik het boek gelezen heb nog steeds dezelfde chaos. Ik heb amper iets weggegooid, behalve logische dingen als oude kranten, gebruikte oogmake-upremoverdoekjes en bol.com-facturen van zeven jaar geleden (ja, zeven jaar ja). Het enige wat ik gedaan heb, is de lades van mijn ladekast leeghalen en alles er weer netjes geordend in terugleggen. Ik geloof namelijk graag van mezelf dat ik geen rotzooi bewaar en alles wat ik bezit nodig heb.

Ik was bijna klaar, ik was bezig met de laatste lade inruimen, toen ik m’n potje Vaseline tegenkwam. Het etiket was flink gehavend, dat op de achterkant was al lang onleesbaar. Op de onderkant zag ik dat de houdbaarheidsdatum allang verstreken was.

Het potje was leeg.

Jarenlang had ik elke morgen na het tandenpoetsen en voordat ik de deur uitging naar school, naar college, naar werk, m’n lippen ingesmeerd. Jarenlang. Want terwijl ik met het potje in m’n hand stond, rekende ik terug. Ik had het potje gekocht toen ik in de vierde klas van de havo zat. Dat weet ik nog zo precies, omdat een meisje dat in de vierde klas bij mij in de klas kwam ook zo’n potje had en het mee naar school nam (wat mij onhandig leek, want het dekseltje blijft niet goed zitten) en een jongen, ook uit mijn nieuwe klas, een keer tijdens een les het potje pakte en wat van het spul in zijn wenkbrauwen smeerde, “zodat ze in model bleven zitten”. Dat vond ik maar raar. Daar had je op zich geen Vaseline voor nodig, leek me.

Maar meer dan tien jaar geleden dus.

In die tijd was zo veel veranderd. En al die tijd was dat potje er geweest. Toen ik m’n eerste bijbaantje kreeg. Toen ik ging studeren. Toen ik van bijbaantje veranderde. En nog eens. Toen ik voor het eerst mocht stemmen. Toen ik naar Lille verhuisde. Toen ik naar Ouagadougou verhuisde. Toen ik naar Groningen verhuisde. Toen ik mijn rijbewijs haalde. Toen ik naar New York ging. Toen ik voor het eerst naar Ingolstadt ging. Toen ik zo’n tien keer op zomerkamp met scouting ging. In Nederland, België, Duitsland. Toen ik naar de universiteit ging. Toen ik van tiener twintiger werd. Toen ik tante werd.

Altijd had dat potje op het planchetje boven de wastafel gestaan, in mijn toilettas gezeten. In de lade gestaan.

Maar nu niet meer.

Het potje was leeg. Na al die jaren. Ik had verwacht dat ik ‘m in die tussentijd wel kwijtgeraakt zou zijn, maar nee. In de opruimwoede die ik nu had, vond ik een leeg potje bewaren nutteloos, dus liep ik naar de prullenbak.

Maar ik kon het niet.

Ik kon het potje niet zomaar weggooien.

Dus stond het wekenlang op tafel, tussen de fruitschaal en het pennenbakje.

En terwijl ik aan het studeren was en het potje zag staan, dacht ik aan Marie Kondo. Had ze dan toch gelijk? Moest je afscheid nemen van je spullen door ze te bedanken? Werkte dat echt? Ik pakte het potje op en draaide het door mijn handen. Neuh, dat was niet nodig, besloot ik. Die Marie Kondo was natuurlijk gewoon een gekkige Japanse. Een blogpost over een freaking Vaseline-potje leek me wel genoeg.

Kitty versus Girls

583

Kitty Genovese (via the Guardian)

Maandagmorgen. Vroeg in de ochtend, toen ik net wakker was, keek ik de Girls-aflevering van de avond daarvoor terug. Dat doe ik altijd. Als er nieuwe afleveringen zijn tenminste, anders kan dat niet natuurlijk.

In de aflevering gingen Hannah, Marnie en Jessa naar een toneelstuk van Adam, het ex-vriendje van Hannah dat nu iets heeft met Jessa (wat, dat weten ze zelf volgens mij ook niet). Het was een ingewikkeld, bijna avant-gardistisch toneelstuk, dat zich afspeelde in een appartementencomplex ergens in Queens. De toeschouwers van het stuk konden rondlopen in het gebouw, terwijl in verschillende appartementen de acteurs het verhaal speelden. Tegelijkertijd. De toeschouwers kwamen zo dus niet het hele verhaal te weten.

Het leek in die aflevering niet om dat toneelstuk te gaan. Het leek het decor voor de drama’s en intriges van de meisjes. Hannah had ruzie met Fran, haar huidige vriendje, en Marnie besprak haar persoonlijke drama met Ray terwijl Jessa de hele avond op een brandtrap zat, met uitzicht op Adam die het hele stuk bij een raam zat en getuige was van een verkrachting en moord.

Want daar ging het toneelstuk over. Een vrouw wordt in de binnentuin van het complex verkracht en vermoord. Er zijn tientallen getuigen, maar niemand doet iets. Ik vond het een intrigerend gegeven, maar omdat het verhaal zich op de achtergrond van de aflevering leek af te spelen en ik me meer zorgen maakte om Marnie en Hannah, schonk ik het niet veel aandacht en dacht ik er verder niet meer aan.

 

Dinsdagmorgen. Vroeg in de ochtend, toen ik net wakker was, scrolde ik door mijn Facebook-feed. Dat doe ik altijd. Niets bijzonders, dat snap ik, maar die ochtend stopte mijn duim met vegen over het schermpje toen ik een post van The New York Times tegenkwam. Over de dood van een moordenaar, die in 1964 een vrouw verkrachtte en vermoordde.

Je moet weten dat ik een lichte fascinatie voor moordzaken heb. Waarom precies weet ik niet, maar nieuwsartikelen die over een moord gaan en Wikipedia-pagina’s over moordzaken lees ik graag. Ik houd mezelf graag voor dat dat komt omdat ik niet begrijp hoe en waarom iemand een ander opzettelijk kan doden.

Hoe dan ook.

Ik tikte dus het artikel van The New York Times aan.

En las het.

Steeds sneller.

Ik hield mijn adem in.

Deze moordzaak kende ik. Dit verhaal had ik al eens gehoord.

In de aflevering van Girls die nog geen 48 uur daarvoor uitgezonden was op HBO.

Op Google checkte ik of het klopte.

Jep.

Hoe toevallig was dit? Weken, maanden geleden was die aflevering geschreven, opgenomen, gemonteerd. Later las ik dat Lena Dunham (de maker van de serie) zelfs al heel lang een manier had gezocht om dit verhaal in een aflevering van de serie te verweven. Op een random zondagavond wordt het uitgezonden en een dag later is de moordenaar van de echte moord dood. Gelukkig geloof ik in toeval. Of nou ja, als ik langer dan even nadenk over het concept ‘toeval’, dan niet, maar dit schaarde ik graag in de categorie ‘toevallig’.

Want ik vond het best wel creepy.

De rest van de week druppelden nieuwsartikelen over de moordzaak binnen op mijn Facebook- en Twitterfeed. In elk artikel werd even de timing van de Girls-aflevering genoemd, maar ik las de berichten vanwege iets anders. De moordenaar die deze week in de gevangenis was overleden, Winston Moseley, had op een nacht in 1964 in Queens de 28-jarige Kitty Genovese vermoord, terwijl zij van haar auto naar haar appartement liep.

Toen ze uit haar auto stapte, rende Moseley uit zijn auto op haar af en stak haar twee maal in de rug met een mes. Kitty schreeuwde hierop om hulp, maar werd deze eerste keer slechts door een aantal mensen gehoord. Een man riep vanuit zijn venster dat Moseley Genovese met rust moet laten en Moseley vluchtte zijn auto in. Toen hij echter merkte dat niemand uit de omringende flats naar beneden kwam om Kitty te helpen, ging hij terug en zag Kitty naar haar appartement strompelen. Schreeuwende buurtbewoners weerhielden Moseley eerst om weer naar Kitty te lopen, maar toen de stilte was weergekeerd keerde hij opnieuw terug. Hij vond Kitty op een gangvloer en stak haar tot ze ophield met schreeuwen en uiteindelijk aan haar verwondingen overleed. Pas om 3:50 belde een buurtbewoner de politie, zodat Moseley in totaal 35 minuten en 3 pogingen had om zijn slachtoffer te vermoorden.

Bron: Wikipedia

Hoe is het mogelijk dat deze Winston meer dan een half uur én drie pogingen had om Kitty te vermoorden? Door het zogenoemde omstanderseffect, dat in de sociale psychologie ook wel het Kitty Genovese-effect genoemd wordt. In een krantenartikel waarin de zaak beschreven werd, werd gemeld dat niemand van de buurtbewoners die wat gehoord of gezien hadden de politie had gebeld. Dat zorgde voor psychologisch onderzoek, waaruit zou blijken dat mensen in een groep de neiging hebben niets te doen, omdat zij zich niet verantwoordelijk voelen. Een ander zal wel wat doen om te helpen, denkt men dan. Dat effect werd dus naar Kitty vernoemd.

Ik dacht terug aan de aflevering van Girls. En waarom Lena Dunham per se het verhaal van Kitty Genovese erin wilde verwerken. Zoals Amanda Hess in The New York Times schreef, hebben Hannah, Marnie en Jessa net als de buurtbewoners in 1964 weinig aandacht voor het drama dat zich vlak voor hun neus afspeelt. Het onderwerp van het toneelstuk is het decor voor de strijd voor de vrouwenemancipatie, analyseerde Hess, omdat de meisjes in Girls ieder hun eigen emancipatieproblemen verdedigen. Wat ik al dacht. Het zal allemaal best. Maar het laat vooral zien dat mensen eigenlijk maar asociale wezens zijn, vooral als ze zich sociaal in een groep bevinden.

 

Een mens. Een mens. Een méns.

Een mens.

Een mens.

Een mens.

Bij elke boomwortel-hobbel waar ik overheen reed op het fietspad naar huis voelde het zoals het voelde toen die persoon geraakt werd door de trein, hoorde ik de klap in mijn hoofd echoën en dacht ik aan de persoon die net een paar uur daarvoor voor de trein gesprongen was, midden op de Veluwe. De trein waar ik in had gezeten. In de voorste coupé. Alleen het opspattende grind dat op de klap volgde, konden mijn fiets en het fietspad niet nabootsen.

Wie was die persoon geweest?

Een man? Een vrouw?

En waarom, in hemelsnaam?

De trein had vaart geminderd en was daarna vol in de remmen gegaan. In de coupé keek iedereen elkaar verbaasd en verward aan: hoorde jij dat ook? Wat was dat?

Wat volgde waren twee uren waarin ik probeerde een aflevering van Mad Men te kijken, probeerde te lezen en probeerde mijn nieuwsgierigheid te onderdrukken en niet te kijken wat er aan de andere kant van de trein, bij de bouwlampen van de brandweer, die na zo’n drie kwartier wachten opgebouwd werden, gebeurde. Ik wilde het natuurlijk niet echt zien, ik wilde zien waar de anderen in de coupé naar keken. Gelukkig kon ik het niet zien. Een oudere man verderop in de coupé werd boos teruggeroepen door zijn vrouw, terwijl hij zich uitrekte om iets te kunnen zien van wat er buiten gebeurde. Hij mocht niet kijken. De hoofdconducteur liep langs, vroeg hoe het met iedereen ging en beantwoordde vragen.

“De brandweer is gearriveerd. De trein kan pas weer rijden als de voorkant schoon is. Die is nu nog, uh, rood.”

We praatten nog wat voordat ze verder liep, de coupé uit, naar de volgende. Twee ambulancebroeders volgden haar, vragend of iemand ergens last van had door het harde remmen.

“En dan te bedenken dat diegene waarschijnlijk ergens hier onder ons ligt,” zei de jongen naast me opgewekt. Zijn vrienden lachten, terwijl ik me een uiteengereten lichaam voorstelde, zoals je in films ziet en besloot dat ik dat maar beter niet meer kon doen. Ik kreeg het koud bij het idee, terwijl het bloedheet was in de trein. Ik keek naar buiten. Ik zag niets, behalve het andere spoor, de contouren van een hek en, als ik mijn neus tegen het raam drukte, de toppen van de bomen. Ik schrok van de zaklampen van de brandweermannen die onder het raam door liepen.

Na die twee uur begon de trein plotseling weer te rijden. Langzaam, alsof ‘ie bang was weer iemand met volle snelheid te raken. Na station ‘t Harde maakte hij vaart. In de coupé was het stil. Het raampje dat net door de conducteur was dichtgedaan, viel met een klap open. Iedereen lachte, alsof er een zucht van opluchting door de ruimte ging.

Op station Zwolle moesten we overstappen op een andere trein. Terwijl we hutjemutje wachtten, keken we hoofdschuddend naar de mensen die naar de voorkant van de trein liepen, speurend naar een vergeten spoortje bloed. Er stond NS-personeel op het perron, voor het geval je wilde praten. Ik wilde niet praten, ik wilde alleen maar slapen. Ik kende die persoon toch niet? Ik had toch niets gezien na de klap? Ik had de klap wel gehoord en gevoeld, maar dat had toch net zo goed een boomstam geweest kunnen zijn? Of een ree?

Bijna drie uur later dan gepland was ik thuis. Even was ik bang dat ik erover zou dromen, maar ik droomde niets. De volgende dag had ik het fietspad niet nodig om het me te herinneren. De hele ochtend en middag echode de klap in mijn hoofd. Bij elke echo werd ik even misselijk, het was een mens geweest. Een méns. Iemand die ouders had, familie, vrienden, iemand die een jeugd had gehad, met foto-albums vol foto’s van eindeloze zonnige zomers, iemand die nog geleefd had op het moment dat ik met mijn ouders aan tafel had gezeten, grappend om de zogenaamde paspoortcontrole bij Zwolle, omdat Groningen toch wel echt heel ver was. Iemand die naar dat bos was gegaan, terwijl de intercity nog op Utrecht, op Amersfoort stond en volstroomde met mensen, iemand die op de fiets, met de auto, lopend naar het spoor was gegaan en daar was gaan staan, gaan lopen, wachtend op de trein. Ik wist het allemaal niet, maar de vragen bleven door mijn hoofd spoken. In de loop van de dag kwamen de vragen en gedachten tot stilstand. Toen kwam een andere vraag op: Hoe zou het met de machinist gaan?

 

UPDATE – De Helleveeg

Na het posten van ons De Helleveeg-verhaal bleef het een beetje stil. Nu hebben we een update!

Ik postte een link van ons De Helleveeg-verhaal op Twitter, zoals ik dat altijd doe na het publiceren van een post. Ik tagde Broese erin en dacht er eigenlijk verder niet meer aan. Een paar weken later, begin januari, liet Eefje weten dat het boek er nog steeds stond. Ze stuurde zelfs een foto mee.

Ik ging verder met mijn leven, startte een eigen bedrijfje, begon aan m’n scriptie en dacht daardoor niet meer zo vaak aan dat boek en onze rebelse streek.

En toen werd het maart.

Plotseling, uit het niets, op een grijze donderdagochtend begin maart, kreeg ik van Wieteke een ietwat dramatisch berichtje: “JOYCE ZEGT DAT DE HELLEVEEG WEG IS!”

Het boek was weg.

Verkocht?

Verplaatst?

Schermafbeelding 2016-03-14 om 20.50.05

Joyce wist het niet. Wieteke wist het niet. Ik wist het niet.

Wieteke stelde voor te gaan kijken. “Ik zal wel even kijken of ‘ie niet toevallig beneden [bij de tweedehands boeken, EvL] staat,” voegde ze eraan toe.

Een paar uur later stuurde ze een foto.

Drie nieuwe exemplaren. Geen gebruikte beneden te vinden.

Onze Helleveeg was weg.

Beste broodbeleg-in-een-pot-producent,

Van de week maakte ik een nieuwe pot hazelnootpasta open. Van Albert Heijn eigen merk. Die vind ik namelijk net zo lekker als Nutella. Het bijkomende voordeel is dat ‘ie een stuk goedkoper is dan die Italiaanse. Zo’n nieuwe pot openmaken vind ik altijd een feestje, stiekem, toch. Vroeger, toen ik klein was, was het altijd een eer als je als eerste je nog met boter besmeurde mes in een nieuwe pot pindakaas of hazelnootpasta mocht zetten. Zo’n eer zelfs dat je een wens mocht doen. Een wens!

Maar van de week, meneer of mevrouw de broodbeleg-in-een-pot-producent, dacht ik er niet aan om een wens te doen. Ik dacht er ook niet aan om de mooie gladde pasta in taartpunten te verdelen, zoals mijn opa dat vroeger altijd deed, om vervolgens precies dat puntje eruit te halen en op brood te smeren en de rest intact te laten. Ik dacht er niet aan, omdat ik een beetje geagiteerd was. Hoe kan dat nou, denkt u nu?

Ik was geagiteerd, vanwege het folietje dat u, meneer of mevrouw de broodbeleg-in-een-pot-producent, over de opening van de pot lijmt. Ik snap heel goed, begrijp me niet verkeerd, dat u dat folietje erop lijmt. Zo weet ik zeker dat niemand in de supermarkt er stiekem een lik met z’n vinger uit genomen heeft, of dat er per ongeluk lucht bij gekomen is en mijn broodbeleg half bedorven is. Maar het folietje dat u erop plakt, krijg ik niet van de pot gehaald. Ja, met veel moeite en na vele pogingen heb ik de folie in twintig kleine stukjes op het aanrecht liggen, waarna er een randje folie overblijft op de pot zelf, waar de lijm zit. Zo’n randje, dat na verloop van tijd vies wordt, door de messen die er langs gaan. Ik weet dat het anders kan. Toevallig maakte ik pasgeleden bij mijn ouders een pot Nutella open. Een prachtig goudkleurige folie, met een lipje waarmee ik de folie met een sierlijke zwaai gemakkelijk van de pot kon halen. Ik deed een wens, smeerde de pasta op mijn brood en hoopte tijdens het eten dat mijn wens uit zou komen.

Waarom lijmt u, meneer of mevrouw de broodbeleg-in-een-pot-producent, zo’n onmogelijk wit papierplastic folietje op uw potten? Waarom zit er geen lipje aan, zodat ik de folie er makkelijk van af kan trekken? Waarom gebruikt u zulke onmogelijk sterke lijm? Heeft u uw producten nooit getest? Of heeft u zo’n hekel aan de wereld, of de mensen op de wereld, dat het u niet interesseert of wij uw producten op een normale manier kunnen gebruiken? Ik hoop, als dat zo is, dat u eens naar buiten kijkt en ziet dat de wereld mooi is. En de mensen die erop wonen ook. Vooral als ze niet geagiteerd zijn omdat ze het folietje niet van uw broodbelegpotten kunnen krijgen.